Word redacteur
|
De geschiedenis van de boerentuin : De kloostersdonderdag 21 februari 2008, door Ann Van Roy 1 reactie
De kerstening van onze streken is met heel wat geweld en onderdrukking gepaard gegaan, maar de grote invloed van het christendom op de ontwikkeling van de (boeren)tuinkultuur in onze streken kunnen we niet ontkennen. Dat veranderde echter nadat Benediktus van Nursia zijn regel ‘Ora et Labora‘ (bid en werk) opstelde. Aanvankelijk leek het zijn medebroeders ondenkbaar, om behalve kuis, gehoorzaam en in armoede te leven, daarbij ook nog eens te moeten werken. Ze vonden dat mannen, die toch naar heiligheid streefden, door het volk gevoed moesten worden. Maar langzaamaan begon het idee van zelfwerkzaamheid toch bij een aantal kloosterorden ingang te vinden. Aanvankelijk waren het vooral de Cisterciënzers (zoals de monniken van de abdij van Chimay, op de eerste foto), de Karthuizers en natuurlijk de Benediktijnermonniken die hierin het voortouw namen. Monniken, die van het ene klooster naar het andere verhuisden, namen vaak stekken of zaad mee van planten die hen belangrijk leken. Zo zag men in de loop van een paar eeuwen de appelsoort ‘Reinette gris’, die in een Karthuizerklooster in Zuid-Frankrijk ontstond, opduiken in Keulen, later in Beieren, om ten slotte Silezië te bereiken.
Hoe tradities ontstaan De belangrijkste invloed die de kloosters op de latere boerentuin hadden, was het grondplan. De strakke en eenvoudige geometrie van de kloostertuin zette zich voort in de boerentuinen. Geen vormelijke tierlantijnen, zoals in de formele tuinen van de aristrocratie, maar vaak niet meer dan vier vierkante of rechthoekige bedden verdeeld door twee kruisende paden, met eventueel een cirkelvormig bedje in het midden, of nog vaker een bronnetje of pomp (op die manier diende het grondplan ook een practisch nut: nooit was je verder dan een halve tuin verwijderd van het water waarmee je de gewassen zo nodig moest kunnen begieten). Die strakke vormgeving betekende echter niet, dat er geen oog was voor schoonheid. Naast hun ‘nut’, was er zowel in de kloostertuin als in de boerentuin plaats voor het mooie. En dat geeft meteen aan, dat boerentuinen geen statisch gegeven zijn, maar dat ze in de loop van de eeuwen aan verandering onderhevig zijn geweest. Behalve de invloed van de kloostertuinen op de vormgeving van de boerentuinen, hebben ze natuurlijk ook een grote invloed gehad op de inhoud ervan, en wel vooral op de aanwezigheid van geneeskruiden. Dat zal de inhoud worden van een volgend stukje, en ik hoop dat dat een beetje sneller zal volgen! (De foto van de moestuin van het klooster van Chimay is van Dystopos, die van de kruidentuin van het klooster van Ten Apel is gemaakt door vtveen. Beiden en vallen onder een Creative Commons Licentie.) De laatste reactiesEen reactie toevoegen |
?
De laatste artikelen van Ann Van Roy : Een hele bijzondere bestuiver! Andere artikels: ErfdeelOeps, stad Kortrijk had bijna een gat van 2 op 2,25 m verkocht (Marc Lemaitre) Het einde van een idylle in kasteelpark ’t Hooghe in Kortrijk (Marc Lemaitre) Stad Kortrijk loost zijn overtollig vastgoed (Marc Lemaitre) FotoStephan Vanfleteren met wielersportfoto’s in CC De Werf (Artspotter) Tips & Foto’s tot 15 mei 2009 (Artspotter) Foto Jacques Tati met pijp verboden in Frankrijk! (Ben Willems) |