Word redacteur


De vuurkruiser uit mijn dorp.

dinsdag 20 april 2010, door Wilfried Journée


translate : Français English Deutsch +

 

Online bekijken : http://blog.seniorennet.be/wilfried...

In onze dagen loopt tussen de jeugd veel groot volk rond. De coach van een basketballteam heeft het niet meer moeilijk om dubbele meters te vinden. Enkele generaties terug echter werd een lichaamslengte van meer dan zes voet als merkwaardig en zelfs zeldzaam aanzien in onze gewesten. 

Ik groeide op tussen de boerderijen van het natte Haspengouw waar het gras, de suikerbieten, de populieren en de knotwilgen snel groeiden, waar grote Brabantse paarden de ploeg en de mestkar trokken. Na de zomer van dat belangrijke jaar toen ik mijn plechtige kommunie had mogen doen, kocht mijn moeder me reeds een eerste maatpak met lange pofboek. Julien, de kleermaker met een hazenlip, moest toen al maten noteren die soms gebruikelijk waren voor een afzwaaier uit militaire dienst. Wellicht was een van onze voorvaderen, die mijn persoon genetisch had beïnvloed, een krachtpatser op de foor geweest, een huurling uit het Noorden, een beenhouwer die rauw vlees had gegeten, of in ieder geval een uit de kluiten gewassen kerel. Vanaf de jaren op de banken van de lagere school, waar ik achteraan in het klaslokaal moest zitten, was ik al een kop groter dan mijn leeftijdsgenoten. De mensen merkten wel op dat er tussen de kleine jongens er ook ene was die wat langer opgeschoten was, een koekoeksjong tussen de jonge merels, maar vermits ik toch duidelijk op mijn vader geleek, stoorde noch ergerde niemand zich om mijn gestalte. Natuurlijk kreeg ik de bijnaam ' de lange', maar vlug hadden de pestkoppen begrepen dat zij me niet mochten plagen, want dat er dan gevochten werd tot het bloed vloeide en dan was het meestal hun neus die voor de kleur zorgde.Wat me meer zou bijblijven, was het feit dat ik me tussen volwassenen tijdens bijeenkomsten steeds moest schouder aan schouder laten meten met zonen uit andere families of met mijn neven die veel ouder waren. Altijd concludeerden de omstaanders na zulke meting het volgende : " Och God, de kleinzoon van Jef van Lenke's zal nog groter worden dan de Grote Menten ! ' .

De Grote Menten, een begrip in ons dorp op de taalgrens, een manspersoon van één meter negenentachtig, was evenwel bijna nooit zichtbaar zoals de Yeti in het Himalaya Gebergte. De redenen voor de onzichtbaarheid van de Grote Menten waren beken en aanvaard door iedereen in ons dorp. Die man was gewoon iemand die dubbel zo hard werkte dan andere mannen. Hij stuurde 's nachts de ijzeren stoommachines van de goederentreinen voor de Belgische Spoorwegen ,en daarna zonder in zijn bed te kruipen, na het eten van spek en eieren, bewerkte hij zij akkers en zorgde hij voor zijn beesten. Die felle werker had buiten de dorpskom een kleine boerderij waarvan de grond grensde aan het wilde Land van Steps en Hachebouche. Bijna niemand kwam in die buurt  omdat stropers, moerassen, struikgewas en doornhagen het daar in die zone ongezellig maakten. Op de andere uren van het etmaal sliep de Grote Menten na het drinken van jenever of na een vrijpartij met zijn Gertrude. Zelfs niet op hoogdagen was hij ooit in de parochiekerk van Sint Lambertus te zien. Maar toch was Cyriel Menten geen liberaal en ook geen socialist, want rond zijn stevige nek hing een ketting met een kruisje. Die grote man die nooit te zien was en die nooit één woord sprak, was echter toch iemand waarvoor zowel de pastoor, als de schoolmeester en zelfs de notaris respect hadden. De reden van dit stilzwijgen en van deze eerbied lag in dingen die onbespreekbaar waren en die nooit meer uit de memorie mochten worden geplukt, in de vreselijke oorlogsgruwel die de Grote Menten daadwerkelijk had meegemaakt en overleefd.

Op een dag in het najaar van 1915 was Cyriel Menten door zijn legeroversten getransfereerd geworden naar Armentières. In een hangaar moest hij zich daar schouder aan schouder meten met een Franse onderofficier. De volgende dag reeds behoorde Cyrille M. tot een Unité Spéciale de Nettoyeurs de Tranchées. Gedurende drie lange jaren, met minstens zesentwintig geslaagde opdrachten, was de ' grand matou' , zoals zijn legermakkers hem noemden, een bloeddorstige jager die door de loopgrachten trok na een stormloop om al wat zijn uniform niet droeg en nog bewoog even een barbaars duwtje naar de eeuwigheid te geven. Dat gebeurde in het daglicht, maar de meeste keren s'nachts, wanneer hij als een roofdier in de duisternis, door modder en bloed, tussen prikkeldraad en mijnen, in stinkend water, kroop tot bij de Fritzen uit Germanië om er daar enkele geruisloos te gaan wurgen, verdrinken, doodsteken. Wanneer zijn groep dan werd ontdekt, door enig lawaai, ontploffing van granaten of een schot, dan werd er in de aangevallen loopgracht gebruld en regende het weldra kogels. Na zo'n nacht in de hel kwam de Grote Menten, slechts God weet hoe en waarom hij dat kon, telkens toch weer terug bij dageraad in eigen kamp. Soms met op zijn sterke schouders een andere nettoyeur die onderweg reeds de helft van zijn bloed of zijn darmen had verloren. Van zijn groep van tien soldaten kwamen er na zo'n nachtelijke uitstap nooit meer dan zes terug. Na zulke krachtmetingen, na zijn job voor het vaderland, mocht de 'flemish trench clearer' wel wat uitrusten, op nieuwe krachten komen, en zelfs flink van het leven genieten door drank, sigaretten, dubbele rantsoenen en vrouwen. Hier mag wel worden vermeld dat buiten de voorziene maaltijden, deze vuurkruiser zich ook nog regelmatig grote steaks paardenvlees bakte, die hij graag at met grijs brood, ajuinen en waterkers.

Even voor Kerstmis van het jaar achttien was de Grote Menten terug thuis in zijn dorp. Hij kwam terug van de oorlog met enkele eretekens en met een in een stuk grijs papier gewikkeld mes,  en dat verstopte hij  in een jutezak op zolder. Hierbij legde hij een tijd later een spaarboekje met de nationale driekleur als boord van de omslag. Hij noemde dat vaak zijn zwijggeld en pas vierendertig jaren later zou zijn dochter door de Spaarkas alle intresten laten bijschrijven. Naar een bijeenkomst, een viering aan een monument, een eetmaal  of een bal van de oudstrijders, of een begrafenis, is Cyriel Menten nooit geweest. Hij zweeg en probeerde te vergeten.

Ik groeide op in het dorp van de Grote Menten en de mensen die naar mij opkeken zegden van mij : ' Misschien is hij wel al even groot als Grote Menten! ". Toch kon niemand te weten komen of dat wel mogelijk was, want wie zou zich ooit wel durven, kunnen of mogen meten met die ene enige echte oorlogsheld uit La Grande Guerre 1914-1918 die ons dorp rijk was ! . Op een dag in het jaar negentienzestig, rond vijf uur in de namiddag op Kermis Walho, toen ik als zestienjarige ook al een bezoek bracht aan een van onze toen volle cafés, toen gebeurde het. Eindelijk zag ook ik hem voor het eerst in levende lijve, hij de vrijwel onzichtbare reus uit ons dorp. Daar zat hij, gewoon aan een tafeltje, met nog drie troefkaarten in zijn sterke hand die hij plots met een bonk op het cafétafeltje zwiepte. Hij had een pijp in de mond en twee glazen, één vol en één leeg, stonden voor hem. Uit een van de zakken van zijn ribfluwelen zondagse jas puilde er een rode zakdoek met witte bolletjes. Ik bestelde een Anderlechtse geuze, verbeterd met wat grenadine, dronk, keek, naderde wat dichter bij de kaartspelers. Ik dronk nog eens, en toen vroeg ik mezelf af of ik het hem zou durven vragen, recht te staan om zich schouder aan schouder met mij te meten ! In mijn jeugdige overmoed was deze vraag tot dichtbij mijn lippen gekomen, doch iets heeft mij toen weerhouden, de eerbied voor een oudere waarschijnlijk, of was het toen toch ook nog die verschrikkelijke snor van de Grote Menten ? Ik verliet toen na mijn derde en laatste slok - zo moest men op kermisdag een pint drinken- toch maar stilletjes en ongezien het dranklokaal voor mannen, en liet er iedereen met de oude gedachte dat Grote Menten de grootste manspersoon van het dorp was en bleef.

Ongeveer tien jaren later, toen mijn grote passie was geworden het fietsen tot waar bijna niemand komt, doorheen bos, berg en veld, ontmoette ik Cyriel weer. De vermetele pedaalridder die ik was, had het gewaagd zich te begeven in het bos van Steps, waar vroeger potscherven in gebakken klei van lang voor de Romeinse tijd werden gevonden, en waar op het einde van de twintigste eeuw, vossen, marters, en wilde katten huisden op de grond, terwijl verschillende soorten interessante vogels er in de bomen nesten maakten. Daar waren de wegeltjes zo slecht dat mijn brede Schwalbe banden in de kleigrond wegzakten. Ik trok op dat ogenblik een pijnlijke grimas omdat de scherp getande tak van een braamstruik een bloederige schram op mijn rechterkuit had getekend. Ik kwam uit het bos gesukkeld,  bereikte terug het open veld., en plots kon ik mijn ogen niet geloven . Op een hoeksteen zat daar een man met een grote snor te rusten en een pijp te roken. Wat verder stond zijn enorm paard te grazen, los en vrij.  Dat paard was het enige boerenpaard dat in ons dorp nog werkte, want alle landbouwers bezaten er reeds een Massey Ferguson van verdeler Melsers of nog sterkere machines. Grote Menten begroette mij erg vriendelijk. Ik was verrast dat hij zelfs mijn voornaam kende. Eindelijk had ik de kans om Grote Menten persoonlijk heel dicht te benaderen. Ik legde daarom ook mijn koersfiets neer in het gras en ging doodgewoon naast hem zitten, op de grond, met in mijn hand een bidon koude koffie. Het was daar lekker goed in de zon, op dat ogenblik voor ons zelfs beter dan op exotische stranden van vreemde landen. Wij spraken weinig, zeiden bijna niets, en toch verstonden wij mekaar heel goed. Alleen God wist hoe en waarom ik toen daar oog in oog stond met een man die met zijn mes dozijnen Adamsappels had doorgesneden. Wij luisterden samen naar de zang van de vogels, naar kleine geluidjes van andere levende wezens die we niet zagen, naar het lichte zomerbriesje dat af en toe voor gefluit zorgde in de takken van de bomen. Oog in oog met de Grote Menten zag ik dat die grote kerel mager was geworden. Hij was immers ook al meer dan vijfenzeventig jaren.Toen ik met mijn zakdoek het bloed van mijn been wilde vegen, opende hij de ransel die aan zijn voeten lag. Hij overhandigde me zijn stoop jenever alsook een propere witte zakdoek. Toen zij die oudstrijder ' Er is niets beter om te ontsmetten, zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van ons mannenlijf ! '. We bleven nog zo'n twintig minuten samen en van ons gesprek van toen heb ik slechts het voornaamste onthouden, een toch wel brede gedachte van de vuurkruiser waarover ik nog vaak heb zitten te mijmeren tijdens mijn latere fietstochten. Die Grote Menten sprak alzo :  " Van alles is het belangrijkste het water, en daarna de grond, de zon, en het gezonde bloed  ... ".  

Maart 1983. Ik had het godvruchtige overlijden vernomen van de vuurkruiser Cyriel Menten, bijgezet op het erepark der oudstrijders, in stilte doch met alle eer, maar zonder bloemen en kransen zoals deze uitzonderlijke dorpsgenoot altijd had gewenst. Hij ook verdween zoals stilletjes alles in dat Haspengouwse dorp uit mijn jeugd. Het deed me pijn, omdat ik niet wist wanneer hij uit de loopgracht van dit leven was gestapt. Ik kon alleen maar later eens gaan kijken naar zijn grafsteen met wat letters,zijn naam en dan wat grond, grassprietjes, regen en een lege bloempot. Grote Menten is niet meer.  In 2010 weet zelfs bijna niemand nog dat hij ooit had geleefd. Hij werd definitief de onzichtbare.

Zomer 1988. Barbecue in ons dorp, we wachten tot wanneer de worsten genoeg zijn gebakken. Ondertussen drinken wij in onze vreugde Brabants bier. Onze kinderen spelen. Heldhaftig bekampen enkele jongetjes mekaar nogal wild met stokken en latten.  Ja, zie eens, zelfs zolang na de Slag van de Ardennen wordt in Haspengouw toch nog oorlog gespeeld, zoals toen wij jong waren. Het soldaatjesspel uit vroegere tijden, van schieten en slaan, weglopen, vuile kleren, een pijnlijke knie, en klein broertje dat begint te wenen, staat nu echter ook open voor de meisjes. Met fierheid en genoegen zie ik dat mijn dochtertje zich ook goed amuseert en verdedigt. Wat later spelen zij Tarzan en Jane, aangevallen door Rambo en de Hulk , in de lindeboom en dat vind ik toch wat gevaarlijk. Mijn vaderlijk plichtsbesef dwingt me om wat orde en kalmte in dat spel te brengen. Zo merk ik op dat tussen de bonte kudde er eentje meespeelt  die twee schone militaire decoraties op zijn shirt heeft vastgespeld.  Even moet ik naar adem snakken en dan wil ik zekerheid hebben. Ik vraag aan het jongetje zijn familienaam. Hij antwoordt me ' Rambo' en hij loopt weg. Zijn speelkameraadjes verklappen mij echter een ogenblik later dat zijn echte naam Frans Menten is.

 Ik vraag aan Franske om zich eens te meten, schouder aan schouder, met mijn Liesje. Die kinderen zijn al toch zo groot voor hun ouderdom. Ik fluister tegen Franske ' Gij zijt de grootste, jong, want gij zijt Grote Menten' want eigenlijk hebben cijfers en centimeters geen belang, als er maar water is om bier te brouwen,  klei en zon,  en als de worsten ondertussen maar niet zijn aangebrand  ...  !
Franske kijkt me aan.  Hij vindt me een vreemde oude man met teveel haar op mijn kop. Hij stormt daarom weg, terwijl hij een onverstaanbare oorlogskreet krijst, en hij trekt ten strijde tegen de andere bengels die ondertussen de Russen zijn geworden.  


    





 

  


translate : Français English Deutsch +

Een reactie toevoegen

?

De laatste artikelen van Wilfried Journée :


1940 - L’EXPLOIT DU SIECLE

Le combat des reines du Pingpong.

Premiers Jeux Olympiques de la Jeunesse.

 

Andere artikels:




Medium4You.be  Editoriaal beleid | Voorwaarden voor publicatie opstellen en gebruik van | Neem contact met ons op