Ik zit op de TGV, en hoop binnen zes uurtjes verwelkomd te worden door het zuid-Franse zonnetje. Steeds afgeleid door een dansende bromvlieg, herlees ik zo’n dertig keer dezelfde regel uit mijn boek. Ik besluit de mysterieuze dode van Nicci en French even lekker verder te laten ontbinden en leg de roman opzij. Verveling slaat toe, en ik kijk uit het raam, op zoek naar een verhaal.
Alles glijdt voorbij. Drukke straten vol pendelaars maken plaats voor uitgestrekte velden. Af en toe een koe die even opkijkt van haar drinkbak, heel onverschillig, doch te lui om haar schouders op te halen.
De trein mindert vaart en ik speur benieuwd naar het welbekende blauw-witte bordje op het perron. ‘Charles de Gaulle’. De luchthaven dus. Grappige naam. Ik vraag me af…
Zestien juli, achttienhonderd vijfennegentig. Ergens onder de zwarte rookwolk die de schouw van de stoomlocomotief onophoudelijk uitbraakte, zaten Frans, Karel, Eddy en Roger te kaarten. De andere spelers van FC Oostakkerzele knapten een uiltje, nu de eerste opwinding van hun allereerste treinreis een beetje weggeëbd was.
‘Harten troef!’ riep Frans. Hij ging met zijn pols langs zijn neus, waarbij hij luidruchtig snoof, trok een kaart en gooide die theatraal op het tafeltje. Eddy vloekte en krabde even achter het rechteroor, alvorens een kaart op die van Frans te leggen. Roger was aan de beurt, maar hij zat naar buiten te staren.
‘Valt eigenlijk wel mee, he, zo nen trein? Ik had eigenlijk verwacht dat zo’n ding wel rapper zou gaan.’
‘Ja, zo speciaal vind ik het nu ook niet,’ beaamde Eddy.
‘Gaan we nog kaarten of hoe zit het?’
Frans liet zijn dijen zenuwachtig op en neer wippen. Hij had vast goede kaarten.
‘Ho, ho, op uw gemak he Frans! We zijn bijlange nog niet in Parijs,’ zei Roger, waarna hij een kaart op tafel gooide. Ook Eddy deed zijn plicht.
‘Ik ben benieuwd hoe Parijs eigenlijk is,’ mompelde hij.
Karels oogjes glinsterden. ‘Schone wijven naar het schijnt. Veel schoner dan in ons eigen Vlaanderen, heb ik mij laten vertellen!’
‘Sjarel jongen, gij zijt toch nogal ne wijvenzot zenne,’ bromde Frans, die alweer een slag binnenhaalde en de volgende troef uitspeelde.
‘En ‘t is daar goed weer en ze hebben lekkere wijn!’ knikte Eddy.
‘Wijn? Geef mij potverdikke maar een goei pul bier!’ zei Karel. Hij gooide triomfantelijk zijn kaarten op tafel en lachte gemeen. ‘De rest is voor mij!’ Hij boog zich over het stukje papier en turfde wat streepjes naast zijn naam. ‘Nog een potje?’
Eddy schudde het hoofd en gooide zijn kaarten op tafel. ‘Nee, ik pas. Ge hebt ons al kaalgeplukt. Zouden we ons trouwens beter niet stillekes aan beginnen voorbereiden op de match?’
Frans verzamelde de kaarten en stopte ze weer in het doosje.
‘Niet nodig,’ zei hij. ‘Die beker is van ons. We zullen die Fransozen eens laten zien wat voetballen is! Tenminste ehm…’ Hij zweeg een tel, net lang genoeg om een gemene grijns op zijn gelaat te toveren. ‘Tenminste als de Sjarel een beetje in vorm is. Of gaat ge der straks weer zeven binnenlaten?’
Karel kleurde en pareerde Frans’ sneer.
‘Precies alsof dat volledig de schuld van de keeper is! Zie maar dat gij deze keer uwe neus snuit vóór de match, dan moet ge er tijdens niet constant in zitten peuteren!’
‘Rustig mannen, rustig!’ kwam Roger tussenbeide.
‘Alleen als we aan hetzelfde zeel trekken, kunnen we winnen, dus ik stel voor dat wel elkander oppeppen in plaats van afbreken!’
‘Ach, ik pest de Sjarel maar wat,’ zei Frans. ‘Soit, als gulle niet meer wilt kaarten, ga ik mijn gazet lezen…’
Hij ging achterover leunen, vouwde zijn rechterbeen over het linker, mepte terloops met ‘De Nieuwe Tijdinge’ naar een vervelende bromvlieg en sloeg aan het lezen.
‘Mannen! We zijn er! Kijk!’
Roger wipte enthousiast op en neer, terwijl hij de in dromenland vertoevende Eddy en Karel wakkerschudde.
‘Pa-ries’, las hij hardop toen hij het blauw-witte bordje ontwaarde. Frans plakte al met zijn neus tegen het venster.
‘Ongelooflijk! Wat een grote gebouwen! En zoveel volk! Zou dat voor de match zijn?’ vroeg Eddy zich hardop af.
Ook Karel deed een stukje raam aandampen. ‘En waar zijn die wijven?’
‘Gij met uw wijven! Ge gaat ons nog eens in de problemen brengen met uw wijven! Let op mijn woorden!’ blafte Frans, die zijn pet opzette, rechtstond en zijn bagage bijeenzocht.
De terreinen van Olympic Pomme de Terre bevonden zich binnen loopafstand van het station. Onderweg werden ze bestookt door reporters, die - gewapend met potlood en papier - in het onbegrijpelijke Frans allerlei vragen op hen afvuurden. De belangstelling was groter dan de Vlamingen verwacht hadden, en al gauw verdween de olijke stemming om plaats te maken voor de opperste vorm van concentratie.
‘Sjarel, sorry van daarstraks,’ zei Frans in de kleedkamer, net voor de wedstrijd. ‘Je bent een goede doelman. Laat zien wat je kan!’
‘Reken maar,’ zei Karel, net op het moment dat de scheidsrechter beide teams uit de kleedkamers kwam halen.
De wedstrijd zat op slot. Geen van beide teams wist tot nog toe te scoren en bleek bereid om ook maar een duimbreed toe te geven. Frans stuitte telkens weer op de sterk presterende Parijse doelman, en ook Karel wist FC Oostakkerzele in de wedstrijd te houden met een paar puike reddingen.
Waarschijnlijk - we zullen het echter nooit weten - zou de partij verlengingen nodig gehad hebben om een winnaar te kunnen aanduiden, maar Karels oog besliste er anders over. In de allerlaatste minuut viel het immers op een kokette Franse jongedame aan de zijlijn.
Keek ze naar hem? Ja! Ze gooide hem zelfs een kushandje toe! Hij vergewiste zich ervan dat het spel zich aan de andere zijde van het veld bevond en beantwoordde haar gebaar op gelijke wijze. Wenkte ze hem nu? Ze stak iets in de lucht. Wat, dat kon hij niet goed zien.
En toen - hij kon zijn ogen amper gelover - trok de jongedame haar truitje omhoog, waarbij ze beide borsten ontblootte. ‘Ze wil verdomme een handtekening op haar tieten! Ze zwaait met een stift! Een stift begot, en dat reeds in achttienhonderd vijfennegentig!’
Weer liet hij zijn ogen snel over het veld gaan en nog steeds gerustgesteld dat de tegenpartij niet in balbezit was, liep hij naar haar toe. Hij nam de schrijfstok van haar aan en zette behoedzaam, met de tong uit de mond, een krabbel op haar rechterborst. Het publiek ging staan. En dat was niet om borsten te prijzen. De Parijzenaars hadden de Vlamingen immers de bal afhandig gemaakt en bouwden een aanval op. Karel had niks meer in de gaten. Hij nam de hand van de dame en kuste die hoffelijk, terwijl zijn ogen aan haar borsten bleven plakken.
Eddy zag meteen het lonkende gevaar.
‘Frans!’ riep hij. ‘Zie! De Karel! Zie hem daar staan!’
‘Godverdoeme Sjarel!’ brulde Frans. ‘Sjarel! De goal!’
Karel gluurde even over de schouder en het duurde veel te lang eer hij de ernst van de situatie inzag.
‘Sjarel! De goal!’ schreeuwde Eddy. ‘Sjarel! De goal!’ krijste ook Roger.
Karel liet de hand los van de Franse deerne en zijn mond viel open.
De spits van Olympic Pomme de Terre kreeg de bal in de voeten, haalde van ver uit en FC Oostakkerzele zag in slow motion hoe de bal met een boogje het lege doel inwaaide.
Eén-nul. Parijs werd gek. Al wat Frans was - behalve Frans - lachte, juichte en danste in het rond.
En toen gebeurde het.
Eerst klonk het spottend. Hier en daar. ‘Sjarel! De goal!’ Een paar tellen later werd het luider en kon men de woorden rond het gehele stadion horen gaan. ‘Sjarel! De goal!’
In een mum van tijd, werd het door iedereen luidkeels gescandeerd. ‘Sjarel! De goal! Sjarel! De goal! Sjarel! De goal!’
Karel maakte kennis met Frans’ stevige rechter en verliet even de wereld, maar de echo bleef zijn oren teisteren.
Het teneergeslagen elftal van FC Oostakkerzele slenterde na een slapeloze nacht weer naar de trein die reeds op hen stond te wachten. Het was Frans die het als eerste zag.
‘Godverdomme!’ vloekte hij. ‘Mannen, kijk!’
Voor dag en dauw waren twee spoorwerkers op het perron druk in de weer geweest. Terwijl de ene het bordje het blauw-witte bordje met het opschrift ‘Paris’ losschroefde, had zijn collega staan wachten met een nieuw exemplaar onder de arm. ‘Charles de Gaulle’.
‘Klootzakken…’ mompelde Karel.
Ik mep alweer naar die vervloekte bromvlieg, neem mijn boek weer ter hand en terwijl ik voor de eenendertigste keer dezelfde regel van de hand van Nicci en French lees, overweeg ik om een bloggenswaardig verhaaltje te brouwen rond Karel, Roger, Frans en Eddy.
Waarom ook niet…