
Na de verhalen van Yo en Bart over hun maai-exploten, besloot ik om dit jaar de hand toch ook wat eerder aan de ploeg - sorry, de zeis - te slaan.
Gewoonlijk maaien we de weides rond half juni, en voor het weitje in de voortuin is dat prima. Maar voor de boomgaardweide is dat, als ik heel eerlijk ben, toch eigenlijk wat te laat. Als het dan eind mei, begin juni een keer flink regent of waait, dan gaat het gras meestal toch wel hier en daar legeren (platvallen).
Bovendien: door de werken die voor de komende tijd aan de schuur gepland zijn, zal manlief niet zoveel tijd hebben om ook nog veel in de tuin te doen. Dus dacht ik maandagmiddag: Laat ik zo langzaamaan al maar eens beginnen in de boomgaard. Als ik elke droge dag een half uurtje maai, dan kom ik al een heel eind.

Maar toen...
Gewoonlijk maai ik de voortuin met een handzeis, en gebruikt manlief een gewone zeis in de boomgaard. Zoonlief kan die zeis ook al behoorlijk hanteren, gaat daar af en toe de brandnetels in de kippenren mee te lijf.
En ik had dus zoiets van: ‘Als mijn mannen met die zeis kunnen werken, dan ga ik niet achterblijven!’.
De zeis en de strekel (een wetsteen op een stok, zoals zoonlief op de bovenste foto hanteert) dus te voorschijn gehaald, en de zeis eerst goed afgewet voor ik aan de slag ging.
En toen gebeurde het: op een bepaald ogenblik hield ik de strekel blijkbaar iets te hoog vast, en... jawel hoor, met het topje van mijn rechter wijsvinger controleerde ik onvrijwillig of de zeis al scherp was. En geloof me, dat was ze!
Nee, het was niet zo erg als je denkt, niet het topje van die vinger weg, maar het was al bij al toch een flink diepe snee, en de druppels bloed lieten een mooi contrasterend spoor na op het groene gras toen ik naar binnen liep om mijn vinger te verbinden. Even heb ik overwogen om voor een hechtinkje bij de huisarts langs te gaan, maar uiteindelijk heb ik toch met pleisters volstaan. Die heb ik de eerstvolgende 24 uur een paar keer mogen vervangen, want telkens als ik mijn vingertop ergens tegen stootte, bloedde ik toch weer door de pleister heen, en momenteel doet het nog steeds even geweldig pijn, als ik onverhoeds die vinger stoot.

Nadat zoonlief maandag uit school kwam, kan hij het niet laten om zijn kunde ook nog even te demonstreren. En ik vrees dat ik moet toegeven, dat hij het gras toch veel regelmatiger kort kreeg dan zijn moeder.
Toen ik dinsdag opnieuw de zeis tevoorschijn haalde, stond hij even te kijken hoe ik maaide, en zei tenslotte: “Mama, laat mij het nu eens even voordoen!” Waarna hij mij instrueerde hoe ik het blad van de zeis dichter tegen de grond moest houden, en niet zo moest hakken, maar gewoon rustig halve cirkels moest beschrijven met het werktuig. Ik moet toegeven, daarna ging het een stuk beter, en na een paar dagen oefening moet ik zeggen dat het resultaat al heel behoorlijk wordt...

Toen ik zoonlief bezig zag, moest ik denken aan een opmerking die Bart dinsdag maakte:
(...) Rollin, die vorige week meende te mogen beweren dat we best een beetje slordig tewerk gaan bij het ontplooien van enige beheersactiviteiten. Dat zou zelfs voor de nodige dynamiek moeten zorgen. ruige rand rond hooiweide. Dat laatste vooral als we niet elk jaar hetzelfde patroontje volgen (inleven in een rund, zo stelde hij: die eten ook willekeurig).
En daar zou ik aan kunnen toevoegen: maaien zoals een rund graast, of zoals een kind maait... Want zoonlief heeft zich intussen al een min of meer slingerende vlakte doorheen de weide gemaaid, waarbij hij echter absoluut zonder vooropgesteld plan te werk gaat, zich alleen maar laat leiden door waar hij op dat ogenblik naar toe wil.
(Zoonlief was een beetje bezorgd toen ik de foto’s zou plaatsen: “Ze gaan denken dat ik die zeis verkeerd vast houd”, want eigenlijk moet je de zeis op en tegen je linker bovenarm laten rusten, in plaats van ze onder die arm door te laten gaan. Maar de zeis is nu eenmaal afgesteld op de lengte van zijn vader, en zo groot is hij nog lang niet.)