Ze kijken elkaar lang aan. Het licht gaat liggen, het wordt nacht en zelfs de duisternis kijken ze stuk. ‘s Ochtends, als de vogels elkaar gedag fluiten, zitten ze elkaar nog aan te kijken. Ze reizen de wereld rond in een riskja iris genaamd. Ze stoppen nergens, ze zien geen huizen, ze eten niet. Ze wonen in elkanders kasjes, in knusse zetels gemaakt van struisvogelpluimen die vast op de dag voor een feestdag zijn geplukt. Er zijn lichtjes, gedempt en zacht, en poëzie op magneten op de centrale verwarming. Hun ogen liggen lepellepeltje.
Bestudeer de tekening zo lang u wilt. U ziet twee mensen aan een tafel die elkaar aankijken. Man en vrouw verroeren geen vin. Zij zitten daar maar te zitten en te kijken, te staren naar elkaar. Op de tafel staan twee koffieloze koppen, verder niets. Stijg nu op. U vliegt boven het tafereel en de twee mensen zitten aan een tafel naar elkaar te kijken in een veranda die over een stad uitkijkt. De veranda is kaal. Er staat niet eens een sanseveria. Er is geen gloeilamp, geen tl-lamp. Er is alleen glas, veel glas, het glas waardoor zon en maan schijnt, elke dag opnieuw. Het paar zit aan een tafel in een veranda in een huis dat verder leeg is maar vol van dingen die onbenoembaar zijn. U ziet het maar u ziet het niet. Draai het om. Tracht een ander perspectief te kiezen. Misschien...
Een man stapt het huis binnen. Hij pakt z’n telefoon, neemt een biertje uit de ijskast en loopt naar de veranda achter het huis om te kijken hoe de stad erbij ligt. De stad licht op onder de man, de man die kijkt naar een wemeling, naar de stad die zijn oogbollen plat drukt. En aan de tafel tieren harten maar dat ziet de man niet. Hij kijkt vluchtig maar ziet het niet. Hij heft z’n bier en drinkt terwijl achter hem het duo in elkaar verzinkt. Ze verzinken als Atlantis en het stoort hen niet eens dat ze van de aardbol verdwijnen.
Stelt u zich eens voor hoe makkelijk het zou zijn als er in de echte wereld een deus ex machina was. Zo’n deus ex machina die zou zeggen: bekijk wat je echt moet zien: de essentie van alles. Geen wemeling maar een stampede. Geen licht maar een verschroeiing. Geen trivialiteit maar de kern.
Maar gemakkelijkheid bestaat niet. Er is immers geen deus ex machina. Er is geen veranda. Er is geen man. Er is geen bier en geen huis en geen stad. Er zijn geen dingen die niet te benoemen vallen.
Wat rest zijn zij. Zij alleen zijn de wereld en de wereld is van hun.
In hun ogen.
In hun harten.
In lepeltjes.